Beweging

Je kunt op verschillende manieren beweging vastleggen op de gevoelige plaat. Een geheel bevroren beweging (hoge sluitertijd) kan in sommige gevallen de beweging perfect suggereren. Je bedenkt er als kijker al het ware de beweging gewoon bij. Maar je kunt ook flitsen met een lange belichtingstijd. De beweging wordt dan in de vorm van strepen op de foto vastgelegd terwijl de flitser een moment, de start of juist het einde van de beweging, bevriest.

Gebruik lange belichtingstijden en rear curtain flash

Tijdens de langere belichtingstijd gebruik je het omgevingslicht om de beweging te fotograferen. Omdat dit licht zwakker is dan het flitslicht, zullen de bewegingsstrepen wat donkerder zijn. Dit werkt prachtig mee aan het gewenste eindresultaat.

Ik kies bij dit type foto vaak voor rear curtain flash. Dit betekent dat de flitser pas afgaat wanneer de camera zowat aan het einde is van de totale belichtingstijd. Kies je voor front curtain flash, dan zal eerst de flitser afvuren om vervolgens de camera met behulp van het omgevingslicht het ‘vervolg’ te registreren. De effecten daarvan zijn drastisch anders. Bij front curtain flash zie je hoe bewegingsstrepen uit het model komen, bij rear curtain flash zie je dat aan het einde van de beweging(-strepen) het model tot stilstand komt, alsof hij daar naar toe heeft gewerkt.

Natuurlijk heb je voldoende belichtingstijd nodig om strepen te krijgen die lang genoeg zijn om het juiste effect te kunnen krijgen. Afhankelijk van de snelheid van de beweging kan dat wel tot 4 seconden oplopen. Bij snellere bewegingen gebruik je vaak een belichtingstijd van rond de halve seconden.

De overige instellingen

De beweging bevindt zich meestal niet in een plat vlak (steeds dezelfde afstand) ten opzichte van de camera. Het is daarom verstandig om vaak een wat kleiner diafragma te kiezen. Bijvoorbeeld f/10 of f/16.

Bij deze foto’s gebruik je de M-stand van de camera. Zorg voor voldoende omgevingslicht, stel het diafragma in. Plaats de camera op een statief. Stel nu de rear curtain flash optie in en plaats de flitser(s) op de meest optimale plaats.

Nu begint het echte werk. Je zult namelijk proefondervindelijk de lichtsterkten van de flitser(s) en het omgevingslicht op elkaar af moeten gaan stemmen. Dat kun je het beste doen door het model even in de eindpose te fotograferen. Die instelling houdt je vast, daarna ga je het omgevingslicht daar op aanpassen. Handig natuurlijk, als je kunt beschikken over een regelbare continue lichtbron. Heb je dat niet, dan wordt het gewoon wat meer experimenteerwerk om het juiste resultaat voor elkaar te krijgen.

Nu wordt het zaak om het model de beweging uit te laten voeren. Komt alles op de foto? En hoe lang moet de belichtingstijd zijn voor de gehele opname? Daar deze laatste aanpassingen nog te doen kun je de fraaiste “bewegingsfoto’s” maken.

Zonder flitser
Met flitser