In perspectief plaatsen

Iets in perspectief plaatsen kan zowel letterlijk als figuurlijk worden opgevat. In Photoshop moeten we objecten soms in perspectief plaatsen, maar hoe doe je dit? En waarom gaat het dan soms toch nog mis?

Perspectief

Iets wat dichtbij staat, ziet er op een afbeelding groter uit dan wanneer het verder weg zou staan. We kennen dit principe allemaal als iets dat door het perspectief wordt bepaald. Het perspectief ontstaat vanuit het standpunt van waaruit we naar deze objecten kijken.

Iedere Photoshopper kent wel het probleem dat wanneer objecten in de diepte achter elkaar moeten worden geplaatst, het geheel soms niet lijkt te kloppen. De grootte van de mensen op de achtergrond komt bijvoorbeeld niet overeen met die van de mensen op de voorgrond.

We kunnen dit probleem geheel automatisch door Photoshop laten oplossen, maar we gaan dit in dit artikel eerst handmatig doen zodat een goed begrip van het werken met perspectief ontstaat. Daarna laten we zien hoe je dit met Photoshop ook geautomatiseerd kunt laten uitvoeren. 

Uit de hand objecten goed in perspectief plaatsen is best lastig. Maar door de objecten groter of kleiner te maken, vinden we na verloop van tijd gevoelsmatig meestal wel de juiste onderlinge verhoudingen. Maar dit hoeft niet op gevoel te worden gedaan en er hoeft ook niet mee geëxperimenteerd te worden. Door tijdelijk twee hulplijnen te plaatsen kunnen we de onderlinge verhouding heel exact bepalen.

Hoe werkt dit?

Wanneer je met perspectief tekent, dan volg je het principe dat alle lijnen in één of meerdere punten verdwijnen. Je gaat er hierbij vanuit dat alles wat we zien in de verte verdwijnt. Een punt waarin de lijnen verdwijnen, wordt een verdwijnpunt genoemd. Een verdwijnpunt hoeft niet op een afbeelding te zien zijn. Het kan ook buiten het kader liggen. Maar het ligt altijd op de horizon.

Laten we uitgaan van een eenvoudig voorbeeldje. We hebben een kaal landschap en willen daar bomen op plaatsen. Hoe zorg je er nu voor dat deze bomen, die in verschillende dieptes op het landschap moeten gaan verschijnen, onderling qua grootte kloppen?

We plaatsen ergens op het landschap een boom. De grootte van deze boom op de plek waar we hem hebben neergezet, zal de grootte van alle andere bomen gaan bepalen. Daarna bekijken we waar zich de horizon bevindt. Vanaf de horizon plaatsen we vanaf een gekozen verdwijnpunt een hulplijn naar de stam van de boom. Deze lijn noemen we voor het gemak even de basislijn. Daarna plaatsen we een tweede hulplijn. Deze komt ook uit hetzelfde verdwijnpunt maar loopt langs de top van de boom en noemen we daarom de toplijn (zie afb 1).

We maken nu met Ctrl+J een kopie van de layer waarin de boom staat. Deze tweede boom plaatsen we met de stam ergens op de basislijn en gebruiken Edit > Transform > Scale diens boomtop tegen de toplijn aan te laten komen. We hebben nu de juiste hoogte van de boom voor deze positie ingesteld. We maken nog een kopie van de boom en plaatsen die op nog een andere plek tussen de hulplijnen (zie afb 2).

Door iedere keer een kopie te maken van de boom en deze precies tussen de basislijn en toplijn te plaatsen, kloppen de onderlinge verhoudingen. Maar we willen de bomen natuurlijk niet netjes op een rij hebben staan. Geen probleem, we kunnen de bomen namelijk straffeloos over hun denkbeeldige horizontale lijnen naar links of naar rechts verschuiven (zie afb 3).

Door de objecten tussen de basis- en toplijn te plaatsen en ze vervolgens horizontaal te verplaatsen, ontstaat steeds een realistische verhouding tot de eerder geplaatste bomen (zie afb 4). Zo eenvoudig is dat!

Hond naast man

Stel je wilt een hond achter een man plaatsen en gevoelsmatig krijg je de verhoudingen niet goed. Weet dan dat wanneer je objecten naast elkaar plaatst het veel gemakkelijk is om de onderlinge verhouding goed te kunnen vaststellen. We hebben hiervoor in een afbeelding een hond naast een jongen geplaatst. Die konden we daardoor gemakkelijk laten ‘kloppen’.

We maken daarna een basis- en toplijn voor de hond en een basis- en toplijn van de mens (zie afb 5). We verplaatsen de hond naar een andere plek tussen de hondenlijnen waardoor we hem qua grootte zullen moeten aanpassen. Hetzelfde doen we voor de jongen. Met deze methode kunnen we de twee objecten, geheel onafhankelijk van elkaar, plaatsen op elke diepte in de afbeelding die we maar willen, zonder dat de onderlinge verhoudingen verloren gaat (zie afb 6).

Wat we hier niet hebben gedaan is het contrast, de kleuren of de helderheid van de verschillende lagen op elkaar afgestemd. Ook hebben we veraf geplaatste objecten niet vervaagd met de Blur-functie. Dit soort aanpassingen zijn noodzakelijk om het resultaat realistischer te maken, maar we willen ons in dit artikel concentreren op het werken met het perspectief. Daarom valt dat hier buiten de scope van ons verhaal.

Spelen met verdwijnpunten

Je kunt het verdwijnpunt buiten de afbeelding leggen. Hierdoor wordt de suggestie gewekt dat de afstand tussen de objecten niet zo groot is omdat de afstand naar het verdwijnpunt langer is geworden.

Ook kun je werken met meerdere verdwijnpunten. Technische tekenaars werken soms met twee en zelfs af en toe met drie verdwijnpunten. Dat kan handig zijn wanneer je de indruk wilt wekken dat je niet recht naar een object kijkt, maar daar in een hoek naar kijkt. Zou dit object een dobbelsteen zijn, en bekijk je die niet recht van voren, dan zie je dat de zijkanten naar achter ‘weglopen’, ieder een eigen kant op naar een eigen verdwijnpunt toe.

Voor het plaatsen van de objecten zoals we dat tot nu toe deden, was dit niet nodig. Dit komt omdat we de scene van voren bekijken en niet vanuit een hoek. De hoek van waaruit we een scene bekijken wordt bepaald door de hoek waaronder de camera de scene bekeek. En nu net dit kan de geloofwaardigheid van een samengestelde afbeelding veel schade toebrengen, zonder dat je er echt wat aan kunt doen.

Wanneer gaat het mis?

Normaal gesproken ligt de lijn van de horizon op ongeveer ooghoogte. Maar als een foto van beneden naar boven gericht wordt genomen, dan bevindt de horizonlijn zich ergens beneden in de foto. Andersom, wanneer je een foto van boven naar beneden maakt, dan bevindt de horizonlijn zich ergens bovenin de foto.

Als een object wordt gefotografeerd met de horizonlijn boven zich, dan betekent dit dat we niet recht tegen het object aankijken, maar er een beetje op. We zien daardoor iets van de bovenkant van het object. Bevindt de horizonlijn zich onder het object, dan zien we iets van de onderkant van het object terug. Bij veel foto’s bevindt de horizonlijn recht achter het object. We kijken op dat moment tegen dingen aan, maar zien niet hun bovenkant of onderkant maar alleen hun 'vooraanzicht'. 

Laten we teruggaan naar onze foto van het landschap. Dit is genomen met de camera op ooghoogte omdat de horizonlijn zich in ongeveer het midden van de foto bevindt. Omdat de foto van de gebruikte boom, van de jongen en de hond allemaal genomen zijn vanaf ooghoogte en daarmee tegen deze objecten aankeek, kunnen we ze zonder problemen met elkaar combineren. Maar wat gebeurt er wanneer we een object plaatsen die vanuit een andere hoek is gefotografeerd?

Kijk naar afb 7. Of we de doos nu van grootte veranderen of verplaatsen, dit alles zal er nooit toe leiden dat de afbeelding geloofwaardig wordt. De doos is gefotografeerd vanuit een camerastand waarbij de horizonlijn zich veel hoger in het beeld bevond dan het object waardoor we er stevig bovenop kijken. Dat wordt bevestigd wanneer we de lijnen van de zijkanten van de doos verlengen. Het verdwijnpunt ligt ver boven de horizonlijn van onze achtergrond. De conclusie die je daarom moet trekken is dat dit geen objecten zijn die je goed samen kunt voegen. Je moet immers werken met objecten die vanuit dezelfde camerahoek genomen zijn.

Is dit achteraf te redden?

De doos en de achtergrond gaan beter bij elkaar passen wanneer we in staat zijn om het verdwijnpunt van de doos op de horizonlijn te leggen. We kunnen dit verdwijnpunt kunstmatig proberen te verleggen. Daar kun je bijvoorbeeld de Perspective Warp tool voor proberen te gebruiken.

Als je Edit > Perspective Warp op de doos loslaat, moet je aangeven uit welke 3D-vlakken het object bestaat, bij een doos is dat natuurlijk relatief eenvoudig. Daarna kun je met behulp van de Warp functie het perspectief van het object wijzigen. Wij hebben, voordat we dit deden, eerst een aantal hulplijnen geplaatst. Met behulp van de Warp-functie konden we hiermee de aanpassing eenvoudig doorvoeren (zie afb 8).

Helaas werkt dit echter niet altijd even goed met ieder object. Een doos is relatief eenvoudig van textuur en wanneer Photoshop delen van deze textuur samenperst of uitrekt valt het daarom niet heel erg op. We zijn echter nog niet zo ver dat Photoshop hetzelfde realistisch genoeg kan met complexere objecten zoals bijvoorbeeld een gezicht. Dit soort objecten kunnen er daarom heel onrealistisch uit gaan zien wanneer je de Perspective Warp functie gebruikt.

Automatisch in Photoshop

De makers van Photoshop hebben er voor gezorgd dat je geen hulplijnen hoeft te trekken om objecten op de juiste plaats van de juiste grootte te voorzien. Ze gaan er daarbij wel vanuit dat je objecten gebruikt die in dezelfde camerahoek zijn genomen als de achtergrond. 

Met afbeeldingen die je daarom niet (meer) met Perspective Warp hoeft aan te passen, kun je door Photoshop zonder hulplijnen automatisch eenvoudig de juiste plaats en verhouding laten bepalen. Plaats daarvoor een object ergens in het scherm in de juiste grootte (zie afb 9, de grote wolf) en kies voor de layer waar dit object zich op bevindt voor Edit > Transform > Scale. Rond het object wordt een kader zichtbaar met in het midden een Reference Point. Als dit Reference Point (een rondje met streepjes aan de zijkanten) niet zichtbaar is, geef je eerst Edit > Preferences > Tools en schakel je de optie "Show Reference Point when using Transform" in. 

Sleep dit Reference Point naar het verdwijnpunt. In afb 9 zie je hoe wij hem op de horizon hebben geplaatst. Wijzig daarna de grootte van het object door aan een van de hoekpunten te slepen terwijl je Alt ingedrukt houdt. Je zult zien hoe het object op de lijn van het verdwijnpunt door het oorspronkelijke object zal wijzigen van grootte en positie. 

Afb 1: Bepaal de grootte van het eerste object en plaats de hulplijnen
Afb 2: Plaats kopieën tussen de hulplijnen
Afb 3: Verplaats over denkbeeldige horizontale lijnen
Afb 4: De onderlingen verhoudingen komen geloofwaardig overeen
Afb 5: Plaats eerst de objecten naast elkaar voor de juiste verhoudingen
Afb 6: Verplaats de objecten tussen hun eigen hulplijnen
Afb 7: Het verdwijnpunt ligt niet op de horizonlijn
Afb 8: Verdwijnpunt naar de horizonlijn gebracht
Afb 9: Automatische plaatsing met behulp van een Reference Point