Beeldhoek en cropfactor

De Beeldhoek

De beeldhoek bepaalt het deel van het licht wat op het beeld (de opname) terecht komt. De brandpuntsafstand en de grootte van de film (of beeldsensor) zijn samen verantwoordelijk voor de beeldhoek. Om het vergelijkbaar te houden, wordt gerekend met de zogenaamde cropfactor.

Niet ieder objectief, in de spreektaal vaak lenzen genoemd maar wat feitelijk niet juist is omdat een objectief over veel meer dan alleen een lens beschikt, laat evenveel zien op de opname. Hoe korter de brandpuntsafstand, hoe meer er op de uiteindelijke foto vertoond kan worden. Om die reden hebben groothoekobjectieven dus een kleine brandpuntsafstand (en leveren die daardoor een grote beeldhoek op) terwijl teleobjectieven altijd over een grote brandpuntsafstand beschikken (en dus een kleine beeldhoek opleveren).

Het is niet alleen de brandpuntsafstand, maar ook de film, of de beeldsensor in digitale camera’s, die invloed uitoefenen op de beeldhoek. Hoe groter deze is, hoe groter de 'lichtplek' is die er op kan komen te vallen en dus wordt daardoor de beeldhoek vergroot.

Een film, in de regel spreken we dan over een kleinbeeldfilm van 35 mm, is meestal groter dan een beeldsensor in een digitale camera. Hierdoor zie je dus minder op een digitale camera met hetzelfde objectief als op een camera waar kleinbeeldfilms in worden gebruikt.

De Cropfactor

Omdat de beeldsensoren in digitale camera’s onderling qua grootte nogal kunnen variëren, kan met alleen de brandpuntsafstand en het gegeven dat het een digitale camera betreft, dus nog niet zoveel gezegd worden over de uiteindelijke beeldhoek. Gelukkig geven fabrikanten dan ook niet de echte brandpuntsafstand op, maar de brandpuntafstand hoe deze zou zijn als men deze met een gewone kleinbeeldfilm zou vergelijken. De zogenaamde cropfactor wordt daarbij niet zo vaak aangegeven, maar deze wordt wel gebruikt om dit te kunnen berekenen. Je kunt de cropfactor zelf eenvoudig herleiden. Zoek op internet uit wat de grootte van de beeldsensor van je camera is en bereken hiervan de diagonaal. Deel de diagonaal van een kleinbeeldfilm door deze diagnaal van de digitale camera, en dan heb je de cropfactor gevonden. De cropfactor is dus de verhouding tussen de diagonaal van de gebruikte beeldsensor en die van de kleinbeeldfilm.

Stel je hebt een Canon EOS 600D. Deze beschikt over een beeldsensor van 22,4 mm x 14,9 mm. Deze heeft dus een diagonaal van 26,9 mm. Een 35 mm kleinbeeldfilm heeft een diagonaal van 43,3 mm. De cropfactor is dus 43,3 / 26,9 = 1,609, afgerond 1,6. Kortom, de Canon EOS 600D heeft een cropfactor van 1,6. Als je dan voor deze camera een bijbehorende 55 mm lens zou kopen, dan zou je voor een kleinbeeldcamera, als je dezelfde beeldhoek zou willen kunnen maken, dus een objectief nodig van 1,6 x 55 mm = 88 mm. Je kunt het ook andersom zeggen. Een 55 mm objectief (voor een kleinbeeldcamera, wat het uitgangspunt is) is op een Canon EOS 600D een objectief met een brandpuntsafstand van 55 / 1,6 = 34,75 mm. Op de verpakking van dit objectief, het objectief dus van 34,75 mm voor de Canon EIS 600D, staat 55 mm. Dit is gedaan om het vergelijkbaar te maken met andere samenstellingen van camera’s en objectieven.

Crop betekent uitsnede. En wie het verhaal tot nu toe gevolgd heeft, begrijpt waarschijnlijk wel waarom gesproken wordt van een cropfactor. Immers, zou je met een 55 mm lens voor een kleinbeeldcamera een foto maken met een kleinbeeldcamera en deze foto vergelijken met een opname gemaakt met een digitale camera met dezelfde lens, dan lijkt het alsof de foto gemaakt met de digitale camera een uitsnede is van die van de foto gemaakt met de kleinbeeldcamera. Ook zal dan logisch zijn dat een kleinbeeldcamera altijd een cropfactor van 1 heeft.

Wat niet waar is

Let wel op: de bewering dat een camera met een hogere cropfactor dan 1 de brandpuntafstand van een objectief vergoot, is niet waar. De brandpuntsafstand van een objectief hoort bij het objectief en blijft altijd gelijk. Deze bewering is ontstaan als denkfout omdat van een kleinere sensor de opname (waar minder op staat dan op een grotere sensor) softwarematig sterker moet worden vergroot om tot een even grote ‘foto’ te kunnen komen op bijvoorbeeld het beeldscherm. Het lijkt dus alsof een APS-C camera zaken meer dichterbij haalt. In werkelijkheid is dat echter niet zo. Dat wat hij registreert wordt gewoon vergoot op het scherm vertoond. Dit is dan ook de reden waarom APS-C opnames doorgaans minder scherp zijn dan die van full frame camera’s.

Vergelijkbaar?

Een slimmerik zou kunnen denken dat omdat een APS-C sensor formaat past binnen dat van een full frame formaat, de opname van een full frame camera die van een APS-C sensor is, met een flinke rand meer en dat je dus, als je in Photoshop het APS-C deel uit een full frame formaat opname zou knippen en deze zou vergroten hetzelfde zou krijgen als een APS-C opname. Toch is dat niet helemaal waar. Knippen we immers een deel uit de full frame opname, dan knippen we ook een deel van de pixels weg. Binnen een originele APS-C opname bevinden zich dan waarschijnlijk meer pixels dan in het uitgeknipte full frame deel, zodat dit toch niet helemaal hetzelfde zal zijn. Bevonden zich er wel net zoveel pixels in, dan zou het waarschijnlijk wel heel vergelijkbaar worden, op de scherptediepte na, die bij een full frame minder is dan bij een APS-C sensor.