Brandpuntsafstand

Eenvoudig gesteld is de brandpuntsafstand van een objectief de afstand in millimeters van het midden van het objectief naar het brandpunt. Het brandpunt, ook de focus genoemd, is de plaats waar alle lichtstralen die door het objectief heen vallen bijeenkomen. Maar wat vertelt ons dit nu?

Hoe groter de brandpuntsafstand is, hoe meer het effect van een telelens optreedt. Hoe korter hij is, hoe meer het effect van een groothoeklens ontstaat. Dus, hoe korter de brandpuntsafstand, hoe meer er op de foto te zien is (ook: hoe groter de beeldhoek is) als de camera op dezelfde afstand van het te fotograferen object wordt gehouden.

Koopt men een camera met een standaardobjectief, dan koop je een camera waarbij een objectief is meegeleverd dat een brandpuntsafstand heeft die ongeveer gelijk is aan het diagonaal van de sensor. In praktijk komt dit neer op een 50 of 55 mm objectief. Al hebben digitale camera's vaak een ander beeldformaat dan de "oude" kleinbeeldcamera's, dan zul je nog steeds zien dat op standaardobjectieven iets als 55 MM zal staan. De reden hiervan is eenvoudig: de getallen op de lens houden al rekening met de zogenaamde cropfactor en er staat dus niet de echte brandpuntsafstand op, maar de brandpuntsafstand waarmee deze te vergelijken is alsof het een kleinbeeldcamera zou zijn geweest.

Een standaardobjectief geeft een beeld weer dat overeenkomt met dat van het menselijke oog. Dit kent namelijk een beeldhoek vergelijkbaar met een objectief van ongeveer 53 mm. Het is daarom dat deze objectieven vroeger "standaard" werden meegeleverd. Uitstekend geschikt voor de "gewone" foto's van groepjes mensen of een huiskamertafereel.

Nu zou je kunnen denken dat je met een 50 mm lens daarom alles gewoon goed zou kunnen fotograferen en dat je bijvoorbeeld alleen maar een telelens nodig hebt om dingen dichter bij je te halen die ver weg staan. Dit is echter een van de meest voorkomende "denkfouten" bij amateur fotografen over objectieven.

Stel je wilt alleen een gezicht van iemand fotograferen. Om dat te kunnen doen met een 50 mm objectief moet je relatief dicht bij die persoon gaan staan. Ga je verder weg staan, dan komt ook de rest van het lichaam er immers op te staan. Maar door de korte brandpuntsafstand worden dingen die zich dichterbij het objectief bevinden iets groter getoond dan zaken die zich iets verder weg bevinden. Vanaf een wat grotere afstand valt dat niet op, maar ga je dichtbij een onderwerp staan, zoals in dit geval het gezicht, dan zal hierdoor de neus (die dichterbij is) groter lijken dan dat hij is. Er treedt immers een vertekening op door de perspectivische vertekening van het objectief. Hoe dichter je bij het onderwerp komt, hoe meer dit zich zal voordoen.

Hoe korter de brandpuntsafstand is, hoe eerder deze perspectivische vertekening bij een korte afstand optreedt. Maak je een portretfoto met een groothoeklens van een persoon (een groothoeklens is een objectief met een brandpuntsafstand korter dan 35 mm) dan krijgt die persoon in verhouding een reusachtige neus. Maak je daarentegen een portretfoto met een telelens (een objectief met bijvoorbeeld een brandpuntsafstand van 200 mm) dan lijkt het gezicht veel platter door te worden. Het effect van het perspectief verdwijnt door de grotere brandpuntsafstand grotendeels.

Het verschil tussen een groothoek-, standaard- en telelens wordt dus bepaald door de brandpuntsafstand en dit bepaalt niet alleen de beeldhoek, maar tevens het effect op het perspectief. Maar er is nog een belangrijk verschil: hoe groter de brandpuntsafstand is, hoe minder scherptediepte verkregen wordt. Dit valt vooral op bij het gebruik van een groot diafragma. En een groter diafragma heb je juist bij teleobjectieven vaak nodig omdat dergelijke objectieven veel minder lichtsterk zijn dan objectieven met een kleinere brandpuntsafstand.

Welke objectieven gebruik je dan waarvoor? Als je realistisch wilt fotograferen (en dus de vertekening niet wil gebruiken om speciale effecten zoals karikaturen te maken of kamers te vervormen), dan ligt het voor de hand om groothoekobjectieven te gebruiken voor bijvoorbeeld landschapsfotografie omdat ze een grote beeldhoek laten zien, veel scherptediepte geven en op een grote afstand van het onderwerp worden gebruikt waardoor de perspectivische vertekening niet goed zichtbaar wordt. De standaardobjectieven zijn geschikt voor normale opnames, zoals vakantiefoto's van de tent en een groepje mensen aan tafel. Een objectief van rond de 100 mm is goed geschikt voor portretopnames. Het vertekent dan nauwelijks, je hoeft niet dicht op je model te staan en de achtergrond wordt snel onscherp waardoor het gezicht daar los van komt.

Natuurlijk is dit geen wet maar een richtlijn. Net zoals de vuistregel dat men geen statief nodig zou hebben wanneer men fotografeert met een snelheid die het omgekeerde is van de brandpuntsafstand. Dus met een 50 mm objectief zou je bewegingsvrij kunnen fotograferen uit de hand met 1/50 aan sluitertijd, terwijl je met een 200 mm objectief dat alleen zou kunnen met een snelheid van 1/200 seconde.