Previous Next

Diafragma

Het diafragma bepaalt de grootte van de lensopening. Wanneer deze klein is valt er minder licht naar binnen dan wanneer deze groot is. Bij een kleine lensopening ontstaat meer scherptediepte, bij een grote minder.

In de foto's hierboven zie je dat ik heb scherp gesteld op een onderzetterbakje dat op de tafel staat. Het focuspunt van beide foto's blijft dus steeds gelijk. Door het diafragma te veranderen zie je dat de ruimte voor en achter het focuspunt scherper of minder scherp worden. 

Wanneer je een persoon zou willen fotograferen, en daarbij de achtergrond vaag zou willen hebben, dan wil je natuurlijk gebruik maken van een geringe scherptediepte. Je wilt dan dus een grote lensopening en dat betekent dat je kiest voor een diafragma van bijvoorbeeld F/2.8. Maar wil je een landschap fotograferen waarvan zowel de bomen op de voorgrond als de wolken in de verte scherp zijn, dan kies je juist voor een kleine lensopening, dus bijvoorbeeld voor diafragma F/22. Een hoog F-getal betekent dus een kleine lensopening, een laag F-getal is een grote lensopening.

Natuurlijk kun je niet ongestraft de lensopening groter of kleiner maken. Je zult het teveel of te weinig aan licht immers moeten compenseren met andere instellingen, zoals het veranderen van de sluitertijd of de ISO waarde. Veel camera’s kunnen dit voor je regelen. Zet je de camera in de A-stand (Aperto = opening) dan mag je handmatig het diafragma instellen, de camera zoekt er dan de meest geschikte sluitertijd bij.

Let wel op: Als een foto te donker wordt, dan kan men de sluitertijd verhogen, de ISO waarde verhogen of de lensopening vergroten. Al deze zaken kennen hun eigen karakteristieken. Vergroot je de sluitertijd, dan kan dat bijvoorbeeld leiden tot ‘bewegingsstrepen’ op de foto. Bij een veranderde lensopening treedt er dus een verandering van de scherptediepte op, bij het wijzigen van de ISO waarde kan er meer ruis op de foto komen te staan.