Stops en Stappen

Door sluitertijd- en diafragmaveranderingen hetzelfde effect te laten hebben op de doorgelaten hoeveelheid licht, kunnen ze elkaar opheffen. Dat is een erg handig principe!

Opheffen

Om een scene goed te kunnen fotograferen bij een bepaalde lichtsterkte, heb je in de juiste verhouding instellingen nodig voor de ISO-waarde, het diafragma en de sluitertijd. Deze drie worden samen niet voor niets de belichtingsdriehoek genoemd.

Wanneer we een van de elementen van de belichtingsdriehoek wijzigen, dan moeten we meteen een of meerdere van de andere elementen anders instellen willen we nog steeds de scene goed kunnen blijven fotograferen. Je zou daarom kunnen stellen dat een verandering van een deel van de belichtingsdriehoek moet worden opgeheven door een verandering van een ander deel van de belichtingsdriehoek voor dezelfde belichting.

Waarom veranderen?

Maar waarom zou je voor een foto die je al goed kunt belichten, een van deze elementen willen veranderen? Nou, bijvoorbeeld omdat je vindt dat de scherptediepte omhoog of naar beneden zou moeten gaan. De scherptediepte wordt bepaald door het diafragma en alleen door het diafragma te wijzigen verandert de scherptediepte.

Maar zodra je het diafragma wijzigt, verandert ook de hoeveelheid licht die op de sensor van de camera valt en daarmee wordt de foto donkerder of lichter. Omdat te kunnen compenseren, zult je de sluitertijd, de ISO-waarde of beide moeten aanpassen.

Hetzelfde kan natuurlijk ook opgaan voor de sluitertijd. Voor een bepaalde scene kan het nodig zijn om met een snellere of juist een langzamere sluitertijd te gaan werken. Je weet dat als je de sluitertijd wijzigt, je ook het diafragma en/of de ISO-waarde aan zult moeten passen, wil je de scene nog steeds goed belicht kunnen fotograferen.

De oude camera’s

Bij de vroegere camera’s was dat compenseren van zo’n verandering niet altijd even gemakkelijk. Je had beperkte keuzes in de instellingen. De sluitertijd liep bijvoorbeeld van 1/10 naar 1/25, 1/50, 1/100 naar 1/200 en als je van het ene naar het andere diafragma ging, moest je maar net een goede sluitertijd kunnen vinden die dat nog behoorlijk kon compenseren.

Nu zou je kunnen denken aan het aanpassen van de ISO-waarde om dit probleem te helpen oplossen. Dat is ook een goede gedachte, maar die ontstaat wel omdat wij het nu eenvoudig vinden om de ISO-waarde te wijzigen omdat dit bij digitale camera’s nog slechts een instelling geworden is zoals dat voor het diafragma en de sluitertijd opgaat. Voor fotografen uit die tijd was dit echter niet zo logisch. De ISO-waarde werd toen bepaald door de film die je in de camera had zitten. In praktijk was dit dus een min of meer vast gegeven. Je kon daarom eigenlijk alleen met de sluitertijd en het diafragma aan de haal gaan en die moest je op elkaar zien af te stemmen.

Gelijkgestelde veranderingen

Om het leven voor fotografen gemakkelijker te maken, bedacht men dat het misschien handiger zou zijn wanneer het veranderen van het diafragma en de sluitertijd aan elkaar gelijkgesteld zouden worden.

Zou dat lukken, dan betekende een verandering van bijvoorbeeld het diafragma hetzelfde als een tegenovergestelde verandering van de sluitertijd. Wat wordt hiermee bedoeld?

Vroeger bevond zich rond een objectief een ring waarmee je het diafragma in kon stellen. Een aantal objectieven heeft dat nog steeds. Als je aan een dergelijke ring draaide, dan kende deze een aantal stops. Dat wil zeggen, als je er aan draaide dan stopte de ring bij de volgende waarde. Je voelde hem daar als het ware in vastklikken. Zo’n volgende waarde werd ook echt een ‘stop’ genoemd, de ring stopte daar immers. Door aan de diafragma-ring te draaien ging je dus van stop naar stop.

De knop voor de instelling van de sluitertijd kende ook stops. Deze knop ging dus ook van stop naar stop.

Men heeft er toen voor gezorgd dat als je de diafragma-ring een stop verder draaide, dat je dan, om de belichtingsinstellingen correct te houden, de sluitertijd precies een stop terug kon draaien. De stop van het diafragma veranderde dus evenveel lichtdoorlating als een stop van de sluitertijd. Daarmee werden deze stops gelijkgestelde veranderingen. Een enorme verandering voor de fotografen want dat maakte het leven een heel stuk gemakkelijker!

De stopverandering

Men heeft dit bereikt door er voor te zorgen dat iedere verandering van een stop, of dit nu die van het diafragma of de sluitertijd was, een verdubbeling betekende of de helft inhield, van de stop daarvoor. Dus, iedere keer wanneer je het diafragma een stop verder dichtdraaide, verminderde het licht dat op de film viel met de helft. En als je de sluitertijd een stop verder draaide, dan gebeurde hetzelfde.

Bij de sluitertijd laat zich dit eenvoudig zien. Er is een stop voor een sluitertijd van 1 seconde, de volgende is 2 seconden en de daarop volgende is 4 seconden. Iedere keer verdubbelt dus de sluitertijd met de waarde ervoor. Ga je de andere kant op, dan ga je van 1 seconde naar 1/2 seconde om vervolgens met 1/4  seconden te komen en ga zo maar door.

Op de instellingen voor het diafragma zie je dat deze verloopt van f/8 naar f/11 en f/16. Ook hiervoor geldt dat iedere stop de helft van het licht doorlaat ten opzichte van de stop daarvoor. Dat je dit niet meteen terug kunt zien aan de waarden voor het diafragma, heeft alles te maken met hoe deze waarden tot stand komen, maar ze zorgen er echt voor dat de volgende stop ook hier een verdubbeling is van de vorige stop.

Heel soms zie je een kleine afwijking. Je zult bij de sluitertijd bijvoorbeeld verwachten dat je na 1/8 op 1/16 terecht zult komen. Maar wat schetst de verbazing? Dat blijkt 1/15 te zijn. Dit is alleen maar gedaan voor het gemak. Van 1/15 kom je namelijk op 1/30, 1/60, 1/120 en dat zijn mooie afgeronde getallen. Het verschil tussen 1/15 en 1/16 is zo weinig dat men soms de “exactheid” opofferde voor het gebruikersgemak.

De praktijk

Stel we maken een goed belichte foto van een scene met ISO 100, sluitertijd 1/125 en een diafragma van f/16. We wijzigen de ISO waarde niet, maar wel het diafragma. Deze zetten we op f/11. Wat moet er dan gebeuren met de sluitertijd? Precies, deze moet nu op 1/250 komen te staan omdat we het diafragma met 1 stop verder hebben opengedraaid (en daarmee de lichtdoorlating hebben verdubbeld) en dit moet gecompenseerd worden door de lichtdoorlating van de sluitertijd met de helft te verminderen.

Gedeelde stops zijn stappen

Een stop wordt ook wel eens een “volle stop” of een “volledige stop” genoemd omdat het een verdubbeling is van de voorafgaande stop en daarmee een grote stap. Het verdubbelen of de helft nemen van de vorige instelling is in veel situaties ook best een echt grote stap. Ooit, met de minder lichtgevoelige zwart-wit films van toen, was dit prima, maar met de meer lichtgevoelige technologie van tegenwoordig, zou je daar meer nuances in aan willen kunnen brengen.

In de loop der tijd ontstond dan ook de behoefte aan meer dan alleen het instellen van volledige stops, men wilde ook halve stops kunnen instellen en zelfs een derde van een stop. Dat werd wel wat verwarrend en daarom besloot men ‘stappen’ te introduceren.

De hedendaagse camera’s werken niet meer met stops, maar op basis van stappen. De stapgrootte daarvan kun je meestal zelf instellen. Je kunt bijvoorbeeld kiezen om met een stapgrootte van een halve stop te gaan werken.

In de schaalverdelingen van het diafragma en de sluitertijd komen er dan ineens waarden bij. Je merkt dat omdat er dan bijvoorbeeld een waarde tussen 1/125 en 1/250 verschenen is, namelijk 1/180. En als je de stapgrootte niet op een halve maar op een derde stop zet, dan komen er zelfs twee bij (in dit geval 1/160 en 1/200).

Het principe wijzigt hierdoor verder niet. Ga je met het diafragma een aantal stappen (en geen stops) terug, dan zul je om dezelfde belichting te behouden met de sluitertijd eenzelfde aantal stappen verder moeten gaan, en vise versa. 

En de ISO-waarde dan?

Ook ISO-waarden worden in vergelijkbare stappen uitgedrukt. Dit betekent dat een stap in de ISO-waarde hetzelfde effect heeft op de belichting van een opname als een stap in het diafragma of de sluitertijd.

In ons voorbeeldje van een opname met ISO 100, sluitertijd 1/125 en een diafragma van f/16 waarbij we het diafragma wilden wijzigen naar f/11, hadden we dus ook de ISO-waarde kunnen wijzigen naar ISO 50 en de sluitertijd ongemoeid kunnen laten.

Exposure Value

Om een foto goed te kunnen belichten is een juiste combinatie van instellingen voor alle elementen van de belichtingsdriehoek nodig. Maar veel combinaties kunnen voor een goede belichting zorgen. We hebben bijvoorbeeld gezien dat in een situatie waarbij de combinatie ISO 100, 1/125 en f/16 voor een goede belichting zorgt, de combinatie ISO 100, 1/250 en f/11 en de combinatie ISO 50, 1/125 en f/11 dat ook doen.

Je zou dit soort bij elkaar horende combinaties bij wijze van spreken in een tabel kunnen weergeven zodat je gemakkelijk kunt zien uit welke combinaties je allemaal kunt kiezen. En die tabellen bestaan ook daadwerkelijk. Dit worden EV-charts of EV-tabellen genoemd en er bestaan zelfs EV calculators waarmee je de combinaties kunt opvragen.

Een EV (Exposure Value) is een waarde die een bepaalde lichtsterkte representeert. Een scene belicht met 16 EV kan volgens de EV-tabel worden gefotografeerd met ISO 100, 1/125 en f/16. Maar in dezelfde kolom voor 16 EV kun je dus ook de combinatie ISO 100, 1/250 en f/11 terugvinden.