Sequence Flash Mode

Voor een multi-exposure opname kun je met meerdere flitsen (stroboscopische flitsen) de foto maken. Dit biedt een aantal aardige mogelijkheden die leuk zijn om mee te experimenteren.

Stroboscopische opname

Iedereen heeft wel eens een stroboscopische opname gezien. Op een dergelijke foto zie je bijvoorbeeld een pingpongballetje gefotografeerd op verschillende momenten in de tijd waardoor je de route kunt zien die hij heeft afgelegd.

Hoewel je op de foto soms wel twintig pingpongballetjes kunt zien, twijfel je er als kijker geen moment aan. Dit is een en hetzelfde pingpongballetje dat in beweging is.

Dezelfde techniek kan ook worden gebruikt voor het maken van prachtige foto’s van dansers of sporters, van voorbij schietende fietsers, auto’s of vogels.

Stroboscoop

De term ‘stroboscopisch’ is afgeleid van een apparaat dat een stroboscoop wordt genoemd. Dit is een apparaat waarmee je snel achter elkaar flitslichten kunt produceren. De naam van dit apparaat is opgebouwd uit het Griekse strobos (wervelen) en skopein (kijken). Door licht te ‘wervelen’ kun je kijken.

Geef je met een stroboscoop flitsen in een verduisterde kamer, dan zie je alleen op het moment dat er een flits optreedt waar zich het bewegende object bevindt, de rest van de tijd is het daar te donker voor.

Als het flitslicht van korte duur is, lijkt het alsof het bewegende object steeds even stil staat. Daarom suggereert een stroboscoop dat het object zich schoksgewijs beweegt.

Met een flitser

Omdat een flitser een keer wordt afgevuurd tijdens het maken van een foto, treedt het stroboscopische effect niet op en wordt alleen dat enkele moment vastgelegd. Maar we kunnen de flitser natuurlijk vaker laten afgaan door hem bijvoorbeeld in de hand te nemen en een aantal keer achter elkaar op de testknop achterop de flitser te drukken.

Het probleem hierbij is wel dat de sluitertijd doorgaans zo kort is dat het ons in praktijk helemaal niet zal lukken om op deze manier handmatig meerdere flitsen te geven die op dezelfde opname terechtkomen. Want wie kan er tijdens een sluitertijd van een fractie van een seconde precies op het goede moment meerdere malen op de testknop drukken?

Lange sluitertijd

Toch hoeft dit geen probleem te zijn. In een donkere kamer kan er immers geen licht op de sensor van de camera terechtkomen, hoe lang de sluiter ook maar open staat. Om die reden kunnen we zonder problemen in een donkere kamer de sluiter gewoon open laten staan met behulp van de bulb-stand. De foto blijft hierdoor gewoon zwart (onbelicht).

Is er toch nog teveel licht in de kamer waar de foto wordt gemaakt, dan kan dit de foto beïnvloeden. Kijk maar eens naar afb 1. We zien de baan die het pingpongballetje aflegt terug als een bewegingsstreep op de foto.

Deze bewegingsstrepen ontstaan doordat het licht afkomstig van de TL-verlichting in de studio (het zogenaamde omringende licht of ambient light) voldoende is om de pingpongbal gedurende de gehele opname een beetje te verlichten. Er zijn foto's waarbij dit juist gewenst is, maar soms wil je dit ook voorkomen.

Omdat het balletje beweegt zien we hem in afb 1 terug als een doorzichtige streep. Daar waar het balletje wel goed te zien is, ging de flitser af. Hij wordt hierdoor op die plekken als het ware 'bevroren'. In afb 1 zie je ook een scherpe doorzichtige bal op sommige plaatsen terug. Hoe dat kan leggen later uit. 

Als we onder een omstandigheid die zo donker is dat de sensor hierdoor niet belicht wordt een aantal keer op de testknop van de flitser drukken, dan lukt het ons om meerdere keren de flitser af te laten gaan tijdens dezelfde opname zonder dat er bewegingsstrepen zullen ontstaan. Zelfs al zou zich tien minuten tussen iedere flits bevinden, dan zou dit nog gewoon werken.

Bewegend voorwerp

Stel dat we in een geheel donkere kamer de camera in de bulb-stand open hebben staan en een bal van de ene naar de andere kant gooien, dan zal deze bal alleen kunnen worden vastgelegd wanneer we tijdens het verplaatsen van de bal op de testknop van de flitser drukken.

Als we tijdens de verplaatsing drie keer op de knop hebben gedrukt, dan zullen we op de opname drie keer dezelfde bal zien, maar de bal zal zich in de opname natuurlijk steeds op een andere plek bevinden. In de tijd die wij nodig hebben om op de testknop te drukken, heeft de bal zich immers verplaatst. 

Onnauwkeurig

Alles goed en wel, maar als we tijdens de verplaatsing die de bal doormaakt op willekeurige momenten op de testknop drukken, dan kan het zo maar zijn dat we hem een keer fotograferen vlak na het vertrekmoment en twee keer vlak voordat hij is aangekomen aan de andere kant.

Vaak zul je dat niet willen en de behoefte hebben om de flitsen heel regelmatig te laten plaatsvinden. Bijvoorbeeld als je de beweging van een fietser, danser of een sporter vast wilt leggen. Als je wil dat de flitsen met een vaste tussentijd worden afgevuurd, dan zal dat handmatig niet goed lukken.

Stroboscopische flitsers

Gedoe natuurlijk om als fotograaf steeds op het juiste moment op de testknop te moeten drukken en onmogelijk om dit met een vaste tussenpose (=intervaltijd) te kunnen doen.

Daarom heeft een aantal fabrikanten flitsers op de markt gebracht met de mogelijkheid om per foto meerdere flitsen te produceren. Dit worden stroboscopische flitsers genoemd. Flitsers die dus een functie hebben waarmee ze net als een stroboscoop kunnen werken en een serie flitsen afvuren wanneer je de ontspanner van de camera indrukt. 

Voor dergelijke flitsers is het niet nodig om met extreem lange sluitertijden te werken. Je hebt hier dan ook geen bulb-mode voor nodig. De flitsen kunnen zo snel na elkaar worden gegeven dat je met een sluitertijd van een halve seconde soms wel tien flitsen af kunt geven. Ideaal dus!

Oplaadtijd

Waarom heb je hier nu een speciale flitser voor nodig? Ten eerste zal de flitser, zodra het sein wordt gegeven door de camera om af te vuren, over de mogelijkheid moeten beschikken om zelfstandig meerdere flitsen na elkaar af te geven.

Maar er ontstaat wel een praktisch probleem bij het afgeven van meerdere flitsen in een korte tijd. Het probleem is namelijk dat de flitser na iedere flits tijd nodig heeft om opgeladen te worden voordat hij de volgende flits af kan geven. En dat kan lang niet iedere flitser snel genoeg.

Ook een stroboscopische flitser heeft hier last van en om snel na elkaar te kunnen afvuren schakelt de stroboscopische flitser daarom automatisch terug in lichtopbrengst. Wanneer de flits namelijk minder sterk is, is er ook minder energie nodig voor de volgende flits en dat betekent dan ook meteen dat er minder oplaadtijd benodigd is voor de flitser.

Kortom, wanneer een flitser stroboscopisch moet worden ingezet, dan is het nodig dat de flitsers meerdere flitsen achter elkaar kan afgeven na een enkel startsein en dat deze tussen de flitsen door razendsnel kan opladen.

Intervaltijd

De tijd tussen de afzonderlijke flitsen in wordt de intervaltijd, of kortweg de interval genoemd. Naarmate de flitser meer tijd nodig heeft om op te laden, de langer de minimale interval is.

Je kunt de interval meestal wel verlengen. Dus stel dat de minimale interval van een flitser 0,3 seconde is, dan kun je hem wel instellen op 0,5 seconden. Je zal hem echter nooit kunnen terugbrengen naar 0,1 seconde omdat hij domweg niet in staat is om binnen zo’n korte periode weer opgeladen te zijn.

Overigens zul je zien dat veel stroboscopische flitsers niet werken met een intervaltijd, maar met een aantal flitsen per seconde. Dat kan uitgedrukt worden in Herz. Een waarde van 10 Herz betekent 10 flitsen per seconde.

Door minder flitsen per seconde van de flitser te vragen (en dus indirect de intervaltijd te vergroten) krijg je vaak meer licht per flits aangeboden (de te gebruiken oplaadtijd wordt dan immers groter waardoor de lichtsterkte toe kan nemen).

Let wel, als je de flitser instelt op 10 Herz maar een belichtingstijd van een 0,5 seconde gebruikt, dan zullen maar vijf van de tien flitsen op de foto terecht komen. De sluiter is immers al gesloten op het moment dat de zesde flits en de daarop volgende flitsen worden afgegeven.

Meerdere lichtbronnen

Stroboscopische flitsers werken alleen. Dat wil zeggen dat ze niet gesynchroniseerd kunnen worden met andere flitsers. Het is dan ook gebruikelijk om, als je een stroboscopisch effect wenst te gebruiken voor een opname, je met alleen deze flitser werkt.

Maar wat nu als je toch met meerdere flitsers aan de slag wil? Bijvoorbeeld omdat je het onderwerp van verschillende kanten wilt belichten of meer licht nodig hebt?

In dat geval zul je met meerdere flitsers willen werken en je zou je daarvoor kunnen bedenken dat je er dan een flitser bij zet die reageert op het uitgezonden licht van de stroboscopische flitser met als doel dat deze dan tegelijkertijd flitst wanneer de stroboscopische flitser afvuurt.

Maar helaas, dat zal meestal niet goed werken. De oplaadtijd benodigd tussen de flitsen van deze slave zal waarschijnlijk te lang zijn om de stroboscopische flitser bij te houden. Bij stroboscopische flitsers (ze zijn niet voor niets duurder) hebben ze er al alles aan gedaan om de oplaadtijd zo kort mogelijk te houden. Een ‘gewone’ flitser verliest het daar vaak van, ook in de lagere standen.

Nu zou je kunnen bedenken dat je dan maar twee stroboscopische flitsers aanschaft en deze tegelijkertijd afvuurt. Maar de flitser bepaalt het moment van de stroboscopische flitsen, niet de camera. De camera geeft alleen het startsein af, de flitser doet de rest.

Er is dus geen 'master sync unit' voor de afzonderlijke flitsen. En het is maar de vraag of verschillende stroboscopische flitsers de rest van de flitsen exact op hetzelfde moment zullen uitvoeren. Kleine kans!

Om je dit te kunnen laten zien hebben we een opstelling gemaakt die je ziet in afb 2. Op een zwarte tafel (C) laten we een pingpongballetje stuiteren. We gebruiken een stroboscopische flitser (A) als key light om de voorkant van de bal te kunnen belichten. Een tweede stroboscopische flitser (B) willen we gebruiken om rim light te creëren. Beide flitsers staan op dezelfde lichtwaarde ingesteld.

Maar als we naar afb 3 kijken, dan zien we dat in de opname twee soorten balletjes voor lijken te komen. Het ene soort is belicht van voren, maar is niet voorzien van een rim light en het andere wordt doorzichtig en heeft alleen een rim light. Hierdoor is het duidelijk dat de studioflitsers niet gelijktijdig worden afgevuurd!

Bedenk hierbij dat de duur van een flits bijzonder kort is, soms maar een paar duizendste van een seconde, en dat flitsers daarom onderling maar heel weinig hoeven af te wijken om niet meer gelijk te flitsen. Kortom, een spontane synchronisatie zal niet werken. Daar heb je meer voor nodig.

Je kunt het stroboscopische effect wel synchroniseren met meerdere lichtbronnen, maar daarvoor heb je andere apparatuur nodig. Bijvoorbeeld een ‘aansturende synchronisatie unit’.

Stroboscopische studiolampen

Flitsers werken vaak op basis van batterijen, veel studiolampen (of studioflitsers, is maar hoe je ze wilt noemen) werken op netspanning. Hierdoor zou je kunnen denken dat studiolampen misschien sneller kunnen opladen dan flitsers en daarmee misschien wel meer geschikt zouden kunnen zijn voor stroboscopisch flitsen. Maar dat is helaas niet altijd waar.

Studiolampen hebben een grotere lichtopbrengst dan gewone flitsers en ze werken soms ook met een ander soort lampen. De praktijk is dan ook dat studiolampen meestal helemaal niet zo heel snel kunnen opladen.

Wil je stroboscopisch flitsen met studiolampen, dan heb je daarvoor dus bijzondere studiolampen nodig. Studiolampen die erg snel kunnen opladen. Dit soort lampen zijn duurder, maar maken het wel mogelijk om bijvoorbeeld stroboscopisch te kunnen flitsen.

Broncolor studiolampen, zoals die uit de Siros serie, staan bekend om hun snelle oplaadtijd. Maar zelfs die kan nog te langzaam zijn. Daarvoor is de zogenaamde S-serie uitgebracht. In de S-modes (S = Speed) worden de flitsduur en de oplaadtijd op een slimme manier verkort, maar de kwaliteit van het licht neemt daardoor wel af. Het wordt namelijk een stukje blauwer.

De S-modus kan gebruikt worden voor het tot stilstaan brengen van spatjes water of meel in een meelshoot. Maar voor veel stroboscopische opnames heb je de S-stand van deze lampen helemaal niet nodig. Het stuiterende pingpongballetje kan ook zonder de S-stand prima worden gefotografeerd.

Met behulp van de overige instellingen van deze apparaten is het daarom mogelijk om, zonder verlies van de kwaliteit van het licht, net als bij een stroboscopische flitser, meerdere flitsen na elkaar af te geven tijdens dezelfde opname. Deze flitsers worden in dat geval in een zogenaamde sequence mode gezet.

Samenwerken

Plaatsen we vier Broncolor Siros studiolampen in sequence mode en geven we aan dat we willen dat ze dertig (vijftig is het maximum) flitsen per opname afgeven, dan gaan die lampen, zodra ze opgeladen zijn, de volgende flits afgeven.

Staat een van deze lampen hoger afgesteld dan de andere, dan merk je dat de studiolampen met lagere instellingen sneller hun flitsen zullen afgeven dan die met de hogere instelling. Hier treedt dus hetzelfde probleem op en daardoor zou je ook een resultaat zoals in afb 3 krijgen. 

Maar je kunt met dit systeem meerdere studiolampen met elkaar synchroniseren tijdens het stroboscopisch flitsen. Hierdoor kun je meerdere Broncolor Siros flitsers precies tegelijkertijd stroboscopisch laten afvuren.

De foto voor afb 4 hebben we op deze manier gemaakt. Je ziet aan deze foto dat de doorzichtige 'rim balletjes' verdwenen zijn en dat de belichte ballen voorzien zijn van rim light. Precies zoals we dat voor ogen hadden!

Maar zoals eerder uitgelegd zal een studiolamp met een lagere instelling eerder zijn opgeladen (en dus eerder klaar zijn voor gebruik) dan een met en hogere instelling. En voor afb 4 hebben we gewerkt met twee studioflitsers die we van een verschillende instellingen qua licht hebben voorzien. Hoe kan dat?

Het principe achter het synchroniseren is dat de minimale intervaltijd van alle studiolampen wordt afgestemd op de langzaamste studiolamp. Het kan overigens ook voorkomen dat je stroboscopisch flitst met verschillende soorten studiolampen. Dus  niet alleen met precies hezelfde type lampen. Omdat de ene lamp sneller is opgeladen dan de andere, kan ook dit een verschil in de intervaltijd afdwingen. Ook dan moet de minimale intervaltijd worden afgestemd op de langzaamste studiolamp.

In het systeem zoals Broncolor dat levert, kun je hiervoor de meest langzaamste studiolamp als de zogenaamde master aanwijzen. De master is de langzaamst opladende lamp tussen het stel en deze bepaalt voor de andere studiolampen wat de minimale intervaltijd van de flitsen wordt omdat de master nu eenmaal als langzaamste dan pas klaar is. Wij hebben voor afb 4 gekozen voor flitser A als master omdat we die meer licht lieten afgeven dan flitser B.

Andere instellingen

In systemen zoals dat van Broncolor geef je in de sequence mode dus op welke studiolamp als master dient zodat daarmee de kortst mogelijke intervaltijd wordt bepaalt. Deze snelste intervaltijd wordt standaard gebruikt als het interval waarmee gewerkt zal worden. Bepaalt de master daarom dat er 0,2 seconden nodig is om opgeladen te zijn, dan staat de intervaltijd voor alle studiolampen ingesteld op 0,2 seconden zodat ze tegelijkertijd zullen worden afgevuurd.

Daarnaast kun je opgeven hoeveel (de sequence) flitsen er moeten worden afgevuurd per opname. Wanneer je hier tien opgeeft dan bepaalt dit dat wanneer je de ontspanknop indrukt de flitsers tien flitsen zullen afvuren met een interval van 0,2 seconde. Is de sluitertijd korter dan de tijd die benodigd is om alle flitsen te maken, dan houdt het systeem daar geen rekening mee. Het vuurt gewoon tien flitsen af. Dat er maar drie op de opname terechtkomen, wordt als jouw probleem beschouwd, net zoals dat met gewone stroboscopische flitsers gebeurt.

Nu kan het zijn dat je van mening bent dat de flitsen te snel na elkaar worden afgevuurd, oftewel dat de interval te kort is. En je zou dus meer tijd tussen de afzonderlijke flitsen in willen krijgen. Wat je hiervoor moet doen is de zogenaamde “master pause” verhogen. Deze staat standaard op nul. Dit betekent dat er niets opgeteld wordt bij de minimale intervaltijd.

Verhoog je de master pause naar 0,3 seconden, dan betekent dit dat deze tijd wordt opgeteld bij de minimale intervaltijd en dat dan pas de volgende flits zal worden afgevuurd. Stel de minimale intervaltijd bedraagt 0,2 seconden (bepaalt door de oplaadtijd van de studiolamp), dan zal de gebruikte intervaltijd met een master pauze van 0,3 seconden dus 0,5 seconden worden.

Nevel

Nu kunnen we ons voorstellen dat je je afvraagt waar de nevel vandaan komt die op bijvoorbeeld afb 4 linksonder te zien is. Daarvoor moet je weer even kijken naar afb 2.

In onze opstelling laten we een studioflitser van onderaf het balletje belichten zodat daarmee een duidelijk zichtbaar rim light aan de onderzijde van de bal ontstaat. Als we de opstelling aanpassen zoals dat in afb 5 te zien is door flitser B naar boven te brengen, dan verdwijnt de nevelige plek (zie afb 6).

We hebben in afb 4 dus last van strooilicht dat afkomstig is uit flitser B. Dat kan tegen worden gegaan door bijvoorbeeld flags te gebruiken, maar voor dit artikel vonden we dat overbodig. 

Master Delay

De laatste functie die we in dit kader graag willen bespreken is de zogenaamde ‘master delay’ functie. Een functie die heel af en toe goed van pas kan komen!

We weten inmiddels dat de master de studiolamp is die gebruikt wordt om de andere studiolampen mee te laten synchroniseren. Met de master delay bepaal je de vertraging van deze master ten opzichte van het startsein dat de camera afgeeft. Daarmee bepaal je dus meteen ook het moment waarop het stroboscopische flitsen van alle flitsers start ten opzichte van het startsein van de camera.

Normaal gesproken staat de master delay waarde op nul. Dit betekent dat op het moment dat de ontspanner van de camera wordt ingedrukt, het stroboscopisch flitsen moet starten. Wordt de master delay verhoogd naar bijvoorbeeld 0,2 seconde, dan betekent dit dan er eerst 0,2 seconde wordt gewacht nadat de ontspanner is ingedrukt voordat dit flitsen start.

Waarom zou je dit nu willen? Stel je spreekt met een balletdanseres af dat zij voor jouw camera een sprong in de lucht maakt die jij stroboscopisch vast wilt leggen. Maar je wilt niet alleen de flitsmomenten vastleggen. De bewegingsstrepen tussen deze momenten in wil je gebruiken om de flitsmomenten met elkaar te verbinden waardoor de foto een beetje op afb 1 gaat lijken. 

Je besluit daarom een continue licht te plaatsen die tijdens de gehele opname de scene een beetje verlicht. Deze moet zorg dragen voor de bewegingsstrepen. Je wacht af op het moment dat zij de lucht in gaat en drukt dan op het juiste moment af.

Wat er zal gebeuren wanneer je geen master delay hebt opgegeven, is dat de foto start met een flits (meteen als je de ontspanner indrukt) waardoor de danseres er meteen in het begin ‘bevroren’ op komt te staan, gevolgd door bewegingsstrepen veroorzaakt door het continue licht totdat de tweede flits plaatsvindt en ga zo maar door.

Maar wat nu als je niet wilt beginnen met die allereerste flits meteen in het begin, maar wilt starten met bewegingsstrepen? Dat krijg je niet voor elkaar zonder de master delay. Geef je een waarde op voor master delay dan begint het stroboscopische effect pas nadat de periode zoals opgegeven in de master delay is afgerond.

Blijft timen

Fotografie betekent vanzelfsprekend timen. Je wilt het juiste moment vastleggen. Dat geldt ook wanneer je stroboscopische opnames maakt.

Bij veel opnames, zoals een stuiterend pingpongballetje of de beweging van een danseres, is dat, soms met wat vallen en opstaan, handmatig best goed te doen. Hoewel je in afb 7 kunt zien dat je ook dan er goed naast kunt zitten. Hier 'vertrekt' mijn collega te laat, of druk ik te vroeg af. Het is maar net aan wie je het vraagt...

Maar sommige gebeurtenissen vinden zo snel of onverwachts plaats, dat je voortdurend kans maakt naast het goede moment af te drukken. Overweeg in dergelijke gevallen of een hulpmiddel zoals Hahnel die levert met diens Hahnel Captur set aangevuld met een Captur Module Pro niet iets voor je is. 

Niet alternate

Stroboscopische functies worden nog wel eens met alternate functies door elkaar gehaald. Maar het werken met de alternate functie is echt niet hetzelfde als werken met een stroboscopische functie.

Stroboscopisch flitsen wil zeggen dat je tijdens een opname meerdere flitsen afvuurt. Werken met de alternate functie wil zeggen dat je per foto met een andere flitser(-groep) werkt.

 

Afb 1: De bewegingsstrepen ontstaan door het 'ambient light'
Afb 2: Onze testopstelling
Afb 3: De flitsers vuren niet tegelijkertijd af
Afb 4: Gefotografeerd met gesynchroniseerde studioflitsers
Afb 5: Een andere opstelling
Afb 6: Geen 'nevelige plek' meer te zien
Afb 7: Fotografie betekent 'goed timen'