Belichtingsmeter

Ooit ging ik op pad, voor de eerste keer, om een ‘nachtfoto’ te maken. Het was, meende ik, op een camping. Met een gekregen belichtingsmeter, foto- of fluxmeter noemde we ze toen, nam ik de lichtsterkte op. In mijn toenmalige camera, een Fuji, had ik als belichtingsmeter slechts een soort staafje dat in het midden moest komen te staan als het licht goed zou zijn. Maar met lange belichtingstijden kon hij niets. Via de belichtingsmeter berekende ik dat ik 43 seconden moest belichten bij een bepaald diafragma. De camera ging op een statief, met een draadontspanner werd de lens open gehouden en op mijn horloge, gelukkig voorzien van een secondewijzer, werd de tijd angstvallig in de gaten gehouden. Enkele dagen na thuiskomst werden de dia rolletjes opgestuurd en uiteindelijk ontwikkeld teruggezonden. Het was een feit, ik kon nu ook nachtfoto’s maken!

In de hedendaagse camera’s zijn belichtingsmeters ingebouwd met een werking die de mogelijkheden van de belichtingsmeter van toen ver achter zich laten. Toch is een losse belichtingsmeter geen overbodig deel van de apparatuur geworden. Met een in de camera ingebouwde belichtingsmeter voer je immers alleen een reflectiemeting uit. Een losse belichtingsmeter stelt je in staat om ook het opvallend licht, en in sommige gevallen zelf het opvallende flitslicht te meten. We zullen zien dat dit van cruciaal belang kan zijn!

Hoe werkt een ingebouwde belichtingsmeter?

Laten we eens kijken hoe een ingebouwde belichtingsmeter eigenlijk werkt. Je richt je camera op een object. Het is niet het licht dat op dat object valt dat door de camera gemeten wordt, maar het licht dat het reflecteert. Dat wil dus zeggen dat als het object een witte muur is, de camera veel licht meet, is het object een zwarte muur, dan meet de camera weinig licht. Het licht dat op de muren valt blijft echter gelijk. Meet je alleen het reflecterende licht, en beschouw je dat als maatgevend, dan moet je dus langere sluitertijden (of een groter diafragma) gebruiken bij zwarte muren (waardoor ze grijs worden) en kortere bij witte muren (waardoor deze ook grijs worden). De camera neigt dus naar grijs.

De fabrikanten van camera’s begrijpen natuurlijk wat het effect is van reflecterend licht en menen daar iets op gevonden te hebben. Ze gaan er van uit dat niemand alleen witte of zwarte muren fotografeert. De meeste mensen schieten plaatjes met een grote diversiteit aan ‘tonen’. Het gemiddelde daarvan is het zogenaamde middengrijs, ook 18% grijswaarde genoemd. De belichting wordt door de meeste camera’s op deze waarde ingeschat. Wat dus prima werkt, voor de meeste foto’s. Maar het zorgt dus voor grijze zwarte en grijze witte muren als je alleen dat zou fotograferen.

Opvallend licht meten

Worden alleen witte of zwarte muren gefotografeerd, dan gaat deze meting dus “mis”. Je zult als fotograaf dan zelf moeten gaan experimenteren met belichtingscompensatie, bracketing, spotmeting, en ga zo maar door. Je kunt echter ook het opvallende licht meten. Dat kan natuurlijk niet met de camera, maar wel met een losse belichtingsmeter.

Objecten die minder licht reflecteren, zoals zwarte vlakken, leiden bij reflectiemeting tot een langere sluitertijd en/of een groter diafragma dan bij objecten die meer licht reflecteren, zoals witte vlakken. Maar het licht waarin de objecten zich bevinden, blijft natuurlijk hetzelfde. Meten we dat (opvallende) licht, dan hebben we niets met de reflectie eigenschappen te maken. Natuurlijk, het is ook mogelijk om een beeldvullend grijs vlak te gebruiken met een waarde van 18% grijs om dan, met een ingebouwde belichtingsmeter die geijkt is op deze 18%, het licht op een correcte manier te meten (overigens gebruiken fotografen ook nog wel eens de palm van hun hand hiervoor: deze blijkt vaak heel dicht bij het middengrijs van de 18% te komen). Het is echter niet waar dat alle belichtingsmeters op de standaard 18% grijswaarde zijn gekalibreerd. Daarbij is dat ook best een ‘gedoe’. Zo’n ingebouwde belichtingsmeter is dus prima voor 90% van alle foto’s, maar voor wie echt tot het gaatje wil gaan, komt daar toch niet helemaal mee weg.

Bij het meten van het opvallende licht is het object dat gefotografeerd wordt niet van belang. Je meet immers het licht wat op het object terecht komt. De belichtingsmeter wordt daarom ook voor het object gehouden richting de camera. Dit is dus een goede reden om voor bepaalde foto’s, met name die foto’s waarin zich niet zoveel ‘tonen’ bevinden, te kiezen om met belichtingsmeters te werken. Een andere reden is ook dat de wat geavanceerdere belichtingsmeters tevens in staat zijn om flitslicht te meten. Iets wat met de ingebouwde belichtingsmeter van de camera niet kan tenzij gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld CLS van Nikon. Maar ook dit werkt op basis van reflecterend licht. Dit leidt dus ook snel tot de meer ‘standaard’ flitslicht belichtingen. Nogmaals, ook dit is prima voor misschien wel meer dan 90% van de geflitste foto’s, maar voor het echte vakwerk wil je toch net wat verder kunnen gaan.

Matrix belichting

De ingebouwde belichtingsmeter van de camera is afgesteld om een evenwichtige belichting te realiseren. Met een zogenaamde matrixbelichting, waarbij het uitgangspunt is dat door het meten van de verschillende lichtwaarden in de scene en deze vervolgens te middelen, zou ene betere belichting ontstaan. De geavanceerdere matrix belichtingen kijken daarbij naar de lichtopbrengst van de belangrijkste elementen in het beeld, die automatsich gedetecteerd worden. Toch blijkt ook hierbij dat het nog wel eens mis kan gaan met de juiste belichting. Zelfs (maar ook logisch) met spotmeting krijgen we niet altijd de juiste instellingen, doordat het licht andere waarden oplevert als het van de huid of een kledingstuk als ‘spot’ wordt gereflecteerd.

Maakt de digitale wereld het overbodig?

Nu zijn er stemmen die aangeven dat het werken met digitale camera’s het werken met losse belichtingsmeters overbodig heeft gemaakt. Je kunt immers “gratis” testfoto’s maken, net zo lang totdat je belichting goed is. Daar is wel wat voor te zeggen, totdat men zich realiseert dat het LCD scherm van de camera een nogal vertekend beeld op kan leveren. Worden de foto’s thuis van de camera gehaald, dan blijken ze soms toch veel donkerder of lichter uit te vallen dan verwacht. Het LCD scherm toont namelijk niet de gemaaskte foto, maar een grafsiche representatie daarvan. Het is dus een matige controle. Daarbij bespaart het werken met een losse belichtingsmeter (vaak veel) tijd.

Ook wordt er wel eens beweerd dat digitale foto’s later eenvoudig te bewerken zijn in bijvoorbeeld Photoshop en daarmee ook achteraf lichter of donkerder gemaakt kunnen worden, mocht dat nodig zijn. Helaas, was dat maar waar! De praktijk is dat te donkere foto’s ruis bevatten en te lichte foto’s te weinig detail. Zelfs RAW bestanden kan men daarom maar beperkt ‘rekken’, hoewel het wel veel meer mogelijkheden biedt dan bijvoorbeeld JPG bestanden. Dus nee hoor, het blijft nog steeds een kunst om foto’s goed te belichten.

In de studio onontbeerlijk!

Als je foto’s maakt met studiolampen (continue licht), is een belichtingsmeter onontbeerlijk. Deze kan onder deze omstandigheden een veel nauwkeuriger meetresultaat afleveren. Sowieso heeft de losse belichtingsmeter bij het fotograferen in een studio de voorkeur. Vooral daar waar de positie van de lampen en flitsers regelmatig wordt aangepast. Je moet dan natuurlijk wel over een belichtingsmeter beschikken die met flitslicht kan werken.

De losse belichtingsmeter blijft dus een bijzonder handig (misschien wel onontbeerlijk) instrument voor de serieuze fotograaf. En dat zowel binnen als buiten de studio! Wie het maken van nachtfoto’s een leuke zaak vindt, heeft er zeker een nodig. De reikwijdte van de losse belichtingsmeter is vaak veel groter dan die van de ingebouwde belichtingsmeter waardoor je er in de bulb stand tot minutenlang plezier kunt hebben!