Belichtingscompensatie

Soms gaat de automatische belichting mis en kan de belichtingscompensatie van de camera te hulp schieten. Wanneer is dat handig en hoe werkt dat precies?

Meten van gemiddelden

De ingebouwde lichtmeter van een camera maakt gebruik van een algoritme dat uitgaat van een standaard scene. Natuurlijk kunnen we kiezen voor diverse belichtingsmethoden zoals spotmeting of een matrixmeting, maar dan nog kan het resultaat tegenvallen. Domweg omdat de te fotograferen scene nu eenmaal niet tot de gemiddelde scenes gerekend kan worden. Denk hierbij aan bijvoorbeeld een heel wit sneeuwlandschap of dat van een zwart geschilderde muur. Dergelijke opnames worden met de automatische belichting van de camera vaak te donker of juist te licht.

De lichtmeter in een camera zal het invallende licht (licht dat gereflecteerd werd door de te fotograferen scene) beschouwen alsof het wordt gereflecteerd door vlakken die gemiddeld beschikken over een 18% grijswaarde. Een gemiddelde die voor veel scenes opgaat.

Maar wordt het licht gereflecteerd door een overwegend donkere scene, zoals die van een zwarte muur, dan werkt deze methode niet meer zo goed. Er is dan immers geen sprake van een gemiddelde van 18% grijs, maar misschien wel van een gemiddelde van 35% grijs of nog meer. Voor de lichtmeter betekent dit dat hij meent dat er minder licht op de muur schijnt dan dat er in werkelijkheid op terecht komt. De lichtmeter zal hierdoor onjuiste instellingen doorgeven waardoor de opname te licht zal worden.

Ook bij erg heldere scenes gaat deze meting mis. De lichtmeter zal in dit geval menen dat er meer licht op de scene valt als dat er in werkelijkheid op valt. Dit zal er daarom voor zorgen dat de meter de instellingen voor de opname te donker zal maken.

Nog meer intelligentie

Voorheen vond de afwijking van de ingebouwde lichtmeter plaats bij scenes die van de 18% gemiddelde grijswaarde afweken. Maar moderne camera’s herkennen steeds meer scenes en het algoritme is daarop aangepast. Zo herkennen moderne camera’s ook scenes die, natuurlijk binnen een bepaalde marge, zich rond deze 18% begeven en passen daarop de instellingen automatisch aan.

Ook zijn er camera’s die bepaalde type scenes herkennen (zoals sneeuwlandschappen of portretten) en daar de belichting automatisch op aanpassen. Camera’s met gezichtsherkenning gaan soms nog een stap verder. Zij bepalen de beste instellingen voor het belichten van de gevonden gezichten.

Maar behoort de scene tot een situatie die zich buiten het herkenbare gebied begeeft, of herkent de camera de scene niet, dan komen de gemeten waarden niet meer overeen met wat wenselijk is en is handmatige aanpassing nodig. Ook kan men vanzelfsprekend om artistieke redenen kiezen voor een aanpassing van de instellingen.

Handmatig instellen

Natuurlijk kan men in dergelijke gevallen de camera handmatig instellen. Wordt dan gebruik gemaakt van een losse lichtmeter, dan kunnen hiermee goede opnames worden gemaakt. Een lichtmeter meet immers niet het teruggekaatste licht en is dus niet afhankelijk van de eerder genoemde 18% grijswaarde of van herkenbare scenes, maar meet de sterkte van het licht dat op de scene terecht komt.

Dit soort “handmatige processen” leveren vaak betere belichtingen op, maar ze zijn ook omslachtiger en vereisen, naast extra apparatuur, ook meer kennis van de fotograaf. Ook kan het zijn dat er domweg te weinig tijd is om de instellingen snel genoeg op deze manier in te kunnen stellen of dat het te omslachtig is. Bij snel wisselende lichtsterktes is de automatische belichting daarom een ware uitkomst

Om dit soort redenen zou het handig kunnen zijn wanneer we de automatische belichting van de camera zouden kunnen aanpassen aan dergelijke extreme situaties zodat hij nog steeds gebruikt kan worden. En dat kan met behulp van de zogenaamde belichtingscompensatie.

Werking van de belichtingscompensatie

Wat de belichtingscompensatie doet, is niets anders dan de gevonden waarden voor de belichting zo aanpassen dat daardoor de uiteindelijke opname lichter of donkerder wordt. Met de belichtingscompensatie kan men dus, ook in afwijkende situaties, blijven werken met de automatische belichting zonder dat de foto’s te donker of te licht worden.

Bij een erg heldere scene zou men met de belichtingscompensatie er voor kunnen zorgen dat een opname met de automatische belichting toch goed komt door de gevonden waarde (die te donker uit zou vallen) wordt verhoogd naar de juiste (lichtere) waarde.

Hoe dan?

Zoals bekend wordt het invallende licht op de sensor naar digitale waarden omgezet. Dat licht wordt voordat het de sensor bereikt verminderd door het diafragma en de sluitertijd. De ISO bepaalt de gevoeligheid van de sensor voor het daar op vallende licht. Hoe hoger de ISO staat ingesteld, hoe gevoeliger de sensor dan ook wordt. In de artikelen over de ISO waardehet diafragma en de sluitertijd gaan we dieper op deze lichtbepalende factoren in. Ze worden samen de belichtingsdriehoek genoemd.

Nu is het natuurlijk maar de vraag welke factoren van deze belichtingsdriehoek worden aangepast teneinde de juiste belichting te krijgen nadat de belichtingscompensatie zijn werk heeft gedaan. Het zou immers onwenselijk zijn wanneer de scherptediepte of sluitertijd zou wijzigen zonder dat we daar vat op hebben.

Welke factoren worden aangepast, wordt gelukkig niet bepaald door de belichtingscompensatie. Dit wordt bepaald door de gekozen modus die op de camera is ingeschakeld. De modus die door de fotograaf is gekozen bepaalt hoe de camera moet omgaan met de gemeten waarde. Dat wordt dus niet door de automatische belichting of door de belichtingscompensatie gedaan.

In de S-stand wordt het diafragma automatisch aangepast om tot een goede instelling te komen terwijl in de A-stand dat met de sluitertijd gebeurt. In de P-stand worden beide factoren aangepast. Kies dus zorgvuldig de meest gewenste modus uit zodat je controle blijft houden over het eindresultaat.

Belichtingscompensatie gebruiken

Dit wetende is het dus belangrijk om bewust te kiezen voor de stand (modus) waarin de camera wordt ingesteld. Bevindt de camera zich in de M-stand, dan zal de belichtingscompensatie vanzelfsprekend geen effect hebben op het uiteindelijke resultaat.

Let ook op of een Auto ISO is ingesteld, want al gebruik je de M-stand, in sommige gevallen zal de camera de instellingen van de ISO aanpassen en dat is misschien niet wat je wenst. Overigens heeft een aantal camera’s hier een soort beveiliging hiervoor. Kiest men voor bepaalde standen, dan zullen deze camera’s er voor zorgen dat de Auto ISO stand niet ingesteld kan worden.

De meeste spiegelreflexcamera’s hebben aan de bovenzijde of de achterkant van de camera een knop om de belichtingscompensatie in te kunnen stellen. In de banner boven dit artikel is deze knop op een Nikon camera rechtsboven te zien. Er bevindt zich een + en – teken op.  

Wanneer deze knop op de Nikon camera ingedrukt gehouden wordt, kan met behulp van een draaischijf de belichtingscompensatie worden ingesteld. Blijkt dat de foto te donker wordt, kies dan voor een positief nummer. In het geval de opname juist te licht wordt, kies je voor een negatief nummer.

Op het LCD schermpje is tijdens het ingedrukt houden van de belichtingscompensatieknop de instelling te zien als een schaal waarop de waarde 0 (geen belichtingscompensatie) in het midden staat afgebeeld. Is de knop niet ingedrukt, zoals afgebeeld op de banner hierboven, dan zal deze schaal gebruikt worden om te laten zien in welke mate de opname, met deze instellingen, onder- of overbelicht zou worden op grond van de meting die de interne lichtmeter aan het uitvoeren is.

Belichtingscompensatie waarden

De belichtingscompensatie van de camera kent waarden die uitgedrukt worden in EV (Exposure Value). Een EV als belichtingscompensatie kan gelezen worden als een stop. Kiezen we daarom in de A-stand voor +1 EV, dan zorgen we er voor dat de sluitertijd van de camera een stap verder komt te staan. In de S-stand zal dit leiden tot het verder openen van de diafragma met 1 stop.